POSTHIËRARCHISCHE ANALYSE · 002
Gedeelde regels als fundament voor meervoudige creatie
Een posthiërarchische analyse van Dalius Jonkus, «Voetbal als uitdrukking van een universele beschaving»
Begrippen met een ? kunnen worden uitgelegd zonder het artikel te verlaten.
Visueel essay: «Gedeelde regels als fundament voor meervoudige creatie» 14 pagina’s over gedeelde regels, culturele veelheid, gedistribueerde intelligentie, institutionele hiërarchie en collectieve regelvorming. PDF · 14 pagina’s · NL ↗Geanalyseerde tekst: Dalius Jonkus, «Futbolas kaip universalios civilizacijos išraiška», Literatūra ir menas, 3 juli 2026. Lees het Litouwse origineel ↗.
Dalius Jonkus beschouwt voetbal niet alleen als sport of massavermaak, maar als een vorm van universele beschaving. Mensen met verschillende talen, religies, tradities en historische ervaringen spelen hetzelfde spel, erkennen dezelfde regels en kunnen elkaars meesterschap waarderen. De cultuur waarin het moderne voetbal is ontstaan, bezit het niet langer: zodra andere samenlevingen het overnemen, wordt voetbal een gedeeld instrument van de menselijke cultuur.
Dat is een vruchtbare these. Ze maakt universaliteit los van de overheersing door één cultuur en culturele verscheidenheid los van het idee van hermetisch gescheiden werelden. Een nodigt echter uit tot een volgende stap. Voetbal laat ook zien hoe een gedeelde, invariante basis de creativiteit van verschillende deelnemers kan vrijmaken en hoe gedecentraliseerde interactie een resultaat voortbrengt dat geen enkel individu alleen kan maken. De mensheid hoeft niet te worden verenigd door identieke vormen die iedereen worden opgelegd, maar door gemeenschappelijke regels waaronder verschillende bijdragen kunnen interageren, worden vergeleken en samen een resultaat vormen.
Het artikel en zijn context
Jonkus publiceerde zijn essay tijdens het WK voetbal van 2026, toen de uitbreiding van het toernooi opnieuw discussies opriep over kwaliteit, commercialisering en de deelname van minder prominente nationale teams. Hij tilt de kwestie naar een filosofisch niveau: wat zegt de wereldwijde verspreiding van voetbal over beschaving zelf?
Hij plaatst voetbal naast schrift, geld, astronomie, wetenschap en technologie: vormen die etnische en geografische grenzen overschrijden en door verschillende culturen kunnen worden toegeëigend. Landen kunnen herkenbaar verschillende speelstijlen hebben en toch deelnemen aan dezelfde ruimte van regels en wederzijdse verstaanbaarheid. Dat is belangrijk in een tijd waarin universalisme vaak wordt verdacht van verborgen westerse dominantie, terwijl culturele verschillen steeds vaker als gesloten identiteiten worden voorgesteld. Jonkus verwerpt zowel de gelijkstelling van het Westen met de mensheid als het idee dat iedere cultuur fundamenteel ontoegankelijk is voor andere culturen. Een beschavingsvorm kan op één plaats ontstaan zonder eigendom van die oorsprong te blijven.
Wat Jonkus scherp ziet
Universaliteit is geen etnisch eigendom
De sterkste gedachte is de scheiding tussen universele geldigheid en culturele oorsprong. Dat een verschijnsel in een bepaalde samenleving is ontstaan, betekent niet dat het voor altijd uitsluitend de identiteit of macht van die samenleving moet uitdrukken. De geschiedenis van de beschaving zit vol vormen die ergens zijn ontdekt, elders zijn overgenomen, aangepast en door vele culturen verder ontwikkeld. Oorsprong verklaart het verleden, maar verleent geen eeuwigdurend eigendomsrecht op betekenis of toekomst.
Een gedeelde wereld vereist geen enkele cultuur
Jonkus grijpt terug op de Griekse intuïtie van één wereld: mythologieën en talen verschillen, maar verwijzen naar een werkelijkheid die mensen delen. Dat vormt een belangrijk tegenwicht tegen radicaal relativisme. Zonder gemeenschappelijke basis zouden uitspraken niet met elkaar kunnen worden vergeleken of getoetst en zou interculturele dialoog uiteenvallen in parallelle monologen. Maar één wereld vereist geen éénvormige cultuur. Een gedeelde werkelijkheid maakt het mogelijk dat verschillende perspectieven elkaar aanvullen, corrigeren en verruimen.
Voetbal verenigt eenheid met een veelheid aan stijlen
Er bestaat geen afzonderlijk Japans of Marokkaans voetbal in de zin van onderling onverenigbare spellen, al hebben teams en regio’s herkenbare stijlen. Gemeenschappelijke regels wissen die verschillen niet uit: ze maken ze zichtbaar, vergelijkbaar en betekenisvol. Als ieder team volgens eigen regels speelde, zou er geen gemeenschappelijk spel zijn en ook geen manier om eigenheid te herkennen. Universaliteit is een gedeelde grammatica die een oneindig aantal zinnen kan voortbrengen.
Deelname hangt af van bekwaamheid, niet van afkomst
In principe kan iedereen deelnemen die de noodzakelijke vaardigheden ontwikkelt. De waarde van een speler zou moeten afhangen van zijn of haar bijdrage, niet van nationaliteit, sociale afkomst of nabijheid tot een historisch centrum. Voormalige «periferieën» kunnen daardoor traditionele centra evenaren of overtreffen. Status garandeert geen toekomstige superioriteit: de geografie van competentie verschuift voortdurend.
Waar Jonkus’ benadering moet worden uitgebreid
Wereldwijde verspreiding bewijst geen universele rechtvaardiging
Een vorm kan zich verspreiden door imperiale macht, economische druk, institutionele dominantie of historisch toeval. Britse commerciële, militaire, onderwijs- en bestuursstructuren droegen bij aan de wereldwijde verspreiding van voetbal. Dat maakt voetbal niet simpelweg tot een koloniaal instrument, maar het verplicht ons wel onderscheid te maken tussen de geschiedenis van verspreiding en de redenen waarom andere samenlevingen de vorm later creatief hebben toegeëigend. Een sterker criterium van universaliteit is of verschillende deelnemers een vorm kunnen overnemen, wijzigen en op gelijkwaardige voorwaarden aan haar verdere ontwikkeling kunnen bijdragen.
Universele vormen worden collectief gemaakt
Sommige historische voorbeelden zijn noodzakelijkerwijs vereenvoudigd. Het Chinese schrift is geen taalonafhankelijke code van zuivere ideeën; ook geld en astronomie hebben complexe en meervoudige geschiedenissen. Het bredere punt blijft overeind: universele beschavingsvormen verschijnen zelden als voltooide uitvindingen van één cultuur. Ze ontstaan in lange processen van overdracht, aanpassing en correctie. Universaliteit is niet alleen een eigenschap van een object, maar ook de collectieve geschiedenis van zijn ontwikkeling.
De regels van voetbal zijn universeel, maar de instituties blijven hiërarchisch
Voetbal omvat ook bonden, clubeigenaren, omroepen, sponsors, spelersmarkten en politieke belangen. Op het veld gelden voor iedereen dezelfde regels, maar de mogelijkheden om over die regels en structuren mee te beslissen zijn ongelijk. Wie bepaalt het toernooiformat, de speelplaatsen, de kalender, de uitzendrechten en de geldstromen? Op dat niveau blijft voetbal een gecentraliseerde hiërarchie. Universele regels alleen scheppen geen posthiërarchie: degenen die de gevolgen dragen, hebben een legitieme manier nodig om regels te bespreken en te veranderen.
Voetbal als model van een posthiërarchische orde
Ondanks zijn institutionele hiërarchieën biedt het spel zelf een krachtige analogie. Een team heeft een coach, een aanvoerder en posities, maar een wedstrijd kan niet worden bestuurd via opdrachten uit één centrum. De situatie verandert te snel. Iedere speler moet het geheel begrijpen, de handelingen van anderen interpreteren en autonoom reageren.
Goed spel ontstaat noch wanneer iedereen blind één plan uitvoert, noch wanneer ieder voor zichzelf speelt. Het ontstaat wanneer individueel initiatief zich synchroniseert met de toestand van het team. Een speler zonder bal creëert ruimte; een verdediger anticipeert op beweging; de waarde van een beslissing hangt af van de reactie van anderen. Dit is : begrip en besluitvorming bevinden zich niet in één centraal punt, maar worden voortdurend in interactie voortgebracht.
Voetbal maakt vier principes zichtbaar: invariante regels bieden een gemeenschappelijk fundament; roldifferentiatie erkent verschillende vaardigheden en functies; dynamische competentie geeft tijdelijk situationeel gezag aan degene die een kans het best ziet en benut; en een gedeeld resultaat maakt de waarde van individuele bijdragen pas zichtbaar in hun onderlinge interactie. Orde ontstaat dus uit gedeelde principes en gedistribueerde competentie, niet uit totale centralisering en evenmin uit chaotisch individualisme.
Van universele naar collectieve beschaving
In Jonkus’ essay is universele beschaving vooral een beschaving van gedeelde instrumenten, regels en een gedeelde opvatting van de wereld. Posthiërarchie voegt daar een criterium aan toe: een universele vorm moet niet alleen voor iedereen toegankelijk zijn, maar iedereen ook in staat stellen betekenisvol bij te dragen aan haar voortdurende ontwikkeling. Een beschaving wordt werkelijk universeel wanneer niet iedereen slechts een door een centrum gemaakt instrument gebruikt, maar wanneer geen enkel centrum het exclusieve recht behoudt om de toekomst ervan te bepalen.
In systemen van zou dit transparante beoordelingsprincipes betekenen; anonieme beoordeling die de invloed van identiteit beperkt; het recht van iedere competente deelnemer om een oorspronkelijke bijdrage te doen; competentie die zich opbouwt via de erkende waarde van bijdragen in plaats van via functie of afkomst; zichtbaarheid van overeenstemming, verschil en ; en het bewaren van het gemeenschappelijke resultaat als kennis die voor toekomstig leren beschikbaar blijft.
Hoe over gemeenschappelijke regels moet worden beslist
Posthiërarchische besluitvorming zou in twee fasen moeten verlopen. Eerst gebruiken competente deelnemers — spelers, coaches, scheidsrechters, sportartsen, organisatoren en andere deskundigen — collectieve intelligentie om het probleem te definiëren, alternatieven te ontwikkelen en de gevolgen voor kwaliteit, veiligheid en toegang te beoordelen. Vervolgens kiezen degenen die rechtstreeks door de uitkomst worden geraakt — bonden, clubs, spelers, vertegenwoordigers van supporters en andere relevante groepen — uit de professioneel voorbereide alternatieven.
Zo worden zowel competentie als het recht op deelname beschermd. Experts kunnen het hele systeem niet alleen besturen, terwijl de uiteindelijke keuze evenmin wordt gereduceerd tot een ongeïnformeerde populariteitsstemming. Dezelfde architectuur kan worden gebruikt voor internationale technologische standaarden, klimaatbeleid, erfgoed, migratie, kunstmatige intelligentie en gemeenschappelijke hulpbronnen van de mensheid.
Een universaliteit die verscheidenheid organiseert in plaats van vernietigt
Jonkus laat overtuigend zien dat voetbal niet eenvoudigweg westers blijft omdat de moderne vorm in Europa is ontstaan. Afrikaanse, Aziatische en Latijns-Amerikaanse samenlevingen zijn geen passieve consumenten: zij hebben het spel veranderd, eigen stijlen ontwikkeld en spelers en teams voortgebracht zonder wie het mondiale voetbal ondenkbaar zou zijn.
De diepere les is dat gemeenschappelijkheid en verscheidenheid geen tegenpolen zijn. Wanneer regels helder en gelijk zijn, kunnen verschillen de creatieve energie van één gedeeld spel worden. De mensheid heeft noch een beschaving nodig waarin één cultuur haar eigen normen universeel verklaart, noch een wereld die uiteenvalt in onvergelijkbare identiteiten, maar een gedeelde architectuur waarin verschillende ervaringen elkaar ontmoeten, volgens algemene principes worden beoordeeld en een resultaat voortbrengen dat aan geen enkel afzonderlijk centrum toebehoort.
Het voetbalveld is een klein model van zo’n beschaving. De grenzen zijn gedeeld. De regels zijn gedeeld. Toch kan niemand het spel alleen creëren. Universele beschaving begint met de aanvaarding van gemeenschappelijke regels. Posthiërarchische beschaving begint wanneer we binnen die regels niet alleen samen leren spelen, maar ook samen leren denken.
Gedeelde regels als fundament voor meervoudige creatie
flowchart TD A["Experts en competente deelnemers verfijnen alternatieve regels"] --> B["Betrokkenen kiezen de gemeenschappelijke regels"] B --> C["Gelijke voorwaarden voor deelname"] C --> D["Verschillende culturen en ervaringen"] C --> E["Verschillende vaardigheden en stijlen"] C --> F["Autonome bijdragen"] D --> G["Meervoudige creatie"] E --> G F --> G G --> H["Een gedeeld resultaat dat niet aan één centrum toebehoort"] H --> I["Een posthiërarchische universele beschaving"] classDef process fill:#e9e5dc,stroke:#6f6d66,color:#191916 classDef diversity fill:#f4f1ea,stroke:#191916,color:#191916 classDef post fill:#f4f1ea,stroke:#a93b2b,color:#191916,stroke-width:2px class A,B,C process class D,E,F diversity class G,H,I post